Jurisprudentie

december 2007

- Rioleringen

1. Rechtbank Arnhem, 3 juli 2007 AWB 062470 LJN: BA9559

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BA9559

Aansluitkosten Rioleringen; geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Appellant heeft een vergunning van de gemeente gekregen voor een rioolaansluiting op het vuilwaterriool vanaf zijn perceel. Hij maakt bezwaar tegen de mededeling in het besluit dat de kosten voor het realiseren van de feitelijke aansluiting in gemeentgrond € 1.400,- bedragen.
Artikel 145, eerste lid van de APV van de gemeente Barneveld bepaalt, dat het verboden is zonder vergunning van B&W kabels of leidingen te leggen, te vernieuwen of herstellen, masten te plaatsen of kabels, leidingen en masten op te ruimen van gronden die in eigendom en/of in beheer zijn bij de gemeente.
De rechter bepaalt in de uitspraak dat de bepaling in de APV geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van bedragen voor het van gemeentewege feitelijk uitvoeren van werkzaamheden aan kabels of leidingen. Er is ook geen andere publiekrechtelijke grondslag voor het in rekening brengen van deze kosten.
De beslissing van de gemeente om kosten in rekening te brengen is een beslissing tot voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling dan wel een beslissing tot feitelijk handelen, waartegen geen bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat.
Zie voor een zelfde uitspraak: http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB7375


- Wegbeheer

Aansprakelijkheid wegbeheerder

2. Rechtbank Middelburg 51453 HA ZA 06-080

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AZ8958

De gemeente heeft in verband met reconstructiewerkzaamheden een aantal straten afgesloten en het verkeer in de periode van april tot en met juli tijdelijk omgeleid. In mei schrijft eiser aan de gemeente dat als gevolg van de hevige trillingen en het overschrijden van de maximumsnelheid ter plaatse vrees bestaat voor schade aan zijn woning en dat hij diverse scheuren in zijn woning heeft geconstateerd. De gemeente heeft de ingediende schadeclaim doorgestuurd naar haar verzekeringsmaatschappij, maar deze concluderen dat uit onderzoek is gebleken dat er geen causaal verband is tussen de door het verkeer opgewekte trillingen en de scheuren in de woning van eiser. De gemeente heeft vervolgens de aansprakelijkheid afgewezen. Eiser heeft daarop zelf een bouwtechnisch ingenieursbureau ingeschakeld die geconstateerd hebben dat er wel een causaal verband is.
Eiser houdt de gemeente aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van scheurvorming in zijn woning. De scheurvorming is opgetreden door verkeerstrillingen die veroorzaakt worden door de slechte staat van onderhoud van de weg.
De rechter bepaalt, dat ter zake van openbare wegen de aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW niet alleen bestaat ten behoeve van weggebruikers c.q. verkeersdeelnemers, maar dat eveneens schade aan zaken voor vergoeding in aanmerking kan komen.
Er bestaat geen aansprakelijkheid als de weg in een staat van onderhoud verkeert, die niet ligt beneden het niveau dat voor een weg als waarom het gaat van de gemeente kan woren geëist.
Het antwoord op de vraag of de weg in een staat van onderhoud verkeert als van de gemeente kan worden geëist, zal mede worden bepaald door de financiële armslag die de gemeente had. Dit houdt niet in dat het onderhoudsniveau bij gebreke van financiële mogelijkheden beneden een aanvaardbaar peil zal mogen dalen of dat men bekende situaties zal mogen laten voortbestaan.


3. Gerechtshof 's-Hertogenbosch C05/01308 18-09-2007 (LJN BB3155)

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB3155

Ongeluk met zakpaal. Appellant rijdt met zijn auto dicht achter een andere auto die met een pasje de zakpaal heeft bediend en na het zakken van de paal is doorgereden. Appellant is er meteen achteraan gereden. Op het moment dat hij met zijn auto boven de zakpaal stond, kwam deze omhoog en is de auto beschadigd.
De gemeente heeft diverse voorzieningen aangebracht in verband met de aanwezigheid van de zakpaal; div. verkeersborden, een verhoging in het wegdek, een versmalling van de rijbaan ter hoogte van de zakpaal en een bedieningszuil met een pascontrolesysteem en een intercominstallatie en een zuil met verkeerslichten.
Appellant meent dat de gemeente als wegbeheerder en als eigenaar/bezitter van de zakpaal aansprakelijk is omdat zij onvoldoende heeft gewaarschuwd voor het gevaar van de zakpaal.
Het hof overweegt, dat in algemeen op de gemeente als wegbeheerder de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Hieruit vloeit voort dat wanneer de gemeente ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen en zaken, zij door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor zorg behoort te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft. Daarbij dient de gemeente in aanmerking te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten.
Het hof is van oordeel dat de gemeente in de gegeven omstandigheden voldoende veiligheidsmaatregelen, waaronder waarschuwingen, heeft getroffen tegen het specifieke gevaar dat door een zakpaal in het leven wordt geroepen. De door appellant aangevoerde weersomstandigheden doen hieraan niet af. Dat er bij slechte weersomstandigheden een minder goed zicht bestaat, onder meer op waarschuwingsborden, is een algemeen gevaar, dat er toe leidt dat de bestuurder extra voorzichtigheid en oplettendheid dient te betrachten.


Gemeente als eigenaar - twee wegenleer

4. Rechtbank Dordrecht 20 september 2007 LJN:BB4009

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB4009

De gemeente vordert van een huurder van een standplaats, dat hij het perceel grond waaromheen een betonnen schutting is geplaatst ontruimt. De rechter stelt vast, dat het de gemeente als eigenaar in beginsel vrij om met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken en dat enige inbreuk op dat recht niet geduld hoeft te worden. Dit wordt anders indien en voor zover tussen de gemeente en gedaagde andersluidende afspraken zijn gemaakt over dit perceel. Een bestuursrechtelijke vergunning verschaft weliswaar een recht jegens de overheid maar doet als zodanig nog niet af aan het eigendomsrecht van een eigenaar. Gedaagde meent dat de gemeente met de onderhavige procedure een publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist.
Voor beantwoording van de vraag of de gemeente langs privaatrechtelijke weg het gevorderde kan afdwingen, is, wanneer een betreffende publiekrechtelijke regeling niet in beantwoording van die vraag voorziet, beslissend of het volgen van die weg de bestuursrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist, waarbij onder meer van belang is of de gemeente door gebruikmaking van een publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke weg.
In dit geval is echter geen sprake van een publiekrechtelijke regeling maar slechts een privaatrechtelijk geschil over de eigendom en het gebruik van een perceel.

 

APV

Kapvergunningen

5. Raad van State 27 juni 2007 200700010/1

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BA8140

Verlening kapvergunning voor 6 bomen aan de noordzijde van het Olympiaplein in Amsterdam in het kader van de herinrichting van het plein. Afdeling Rechtspraak merkt op, dat appellanten tevergeefs hebben betoogd dat de werkzaamheden ten onrechte niet zijn getoetst aan het Besluit Luchtkwaliteit 2005. De mogelijk nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit staan niet ter beoordeling in de procedure betreffende de kapvergunning.

6. Raad van State 11 juli 2007 LJN:BA9273

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BA9273

Deze uitspraak betreft het Hoger beroep dat de gemeente Utrecht heeft ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 maart 2007 inzake de velvergunning Vredenburg. Al eerder had de raad van State toestemming verleend tot het vellen van een aantal genummerde bomen langs het Vredenburg en de Rijnkade die met spoed dienden te worden gekapt voor het verleggen van de kabels en leidingen. Deze uitspraak gaat over alle bomen die in de oorspronkelijke aanvraag werden genoemd.
De Afdeling stelt voorop dat het college een aanvraag om een velvergunning dient te toetsen aan het in de APV opgenomen beoordelingskader, dat los staat van de te volgen procedure op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Het College heeft aannemelijk kunnen achten dat de bouw van het winkelgebouw en het Muziekpaleis doorgang zal vinden en dat de daarmee gepaard gaande werkzaamheden noodzaken tot het vellen van de bomen. Daarvoor is niet vereist dat alle procedures terzake van de voorgenomen bouwwerkzaamheden zijn afgerond. Het College heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de publiekrechtelijke besluitvorming en de contractuele verplichtingen ten aanzien van de ontwikkelingen in het stationsgebied, er ten tijde van de beslissing op bezwaar een zwaarwegend belang was bij het op korte termijn kunnen vellen van de bomen. Daarvoor is niet bepalend op welke termijn precies de gemeente contractueel verplicht is de grond bouwrijp op te leveren. De afdeling acht ook nog van belang dat na realisatie van de bouwplannen een aanzienlijk aantal bomen op het Vredenburgplein zal worden geplaatst en dat indien niet binnen 3 jaar na verzending van de beslissing op bezwaar is gestart met de bouw van het Winkelgebouw en het nieuwe muziekpaleis, 24 bomen van vergelijkbare waarde zullen worden teruggeplaatst.


7. Rechtbank Arnhem 16-10-2007 LJN:BB6986

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB6986

De gemeente Nijkerk heeft geweigerd om bomen op de bomenlijst te plaatsen. In artikel 3 van de bomenverordening van de gemeente is aangegeven, dat het college een lijst vaststelt met bomen waarvoor in beginsel geen vergunning wordt aangegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of vandere uitzonderlijke situaties. De lijst bevat drie categoriën van monumentale bomen en houtopstanden, namelijk monumentale bomen (waaronder nationaal bij de Bomenstichting geregistreerde), waardevolle bomen en toekomstbomen.
Het college heeft onder meer in verband met toepassing van artikel 3, eerste lid van de bomenverordening beleidsregels vastgesteld, waarin zowel algemene voorwaarden als basisvoorwaarden zijn opgenomen waaraan een boom moet voldoen om geselecteerd te worden voor plaatsing op de bomenlijst.
De rechtbank stelt vast dat het college in artikel 3 van de bomenverordening de opdracht heeft gekregen om een bomenlijst vast te stellen en dat verweerder terzake van deze bevoegdheid wetsinterpreterende beleidsregels heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan het college aan de bomenverordening vrijheid ontlenen om in deze beleidsregels nadere voorwaarden te stellen die verdergaan dan wetsinterpretatie.
Met het in de beleidsregels opnemen van de algemene voorwaarden worden selectiecriteria gehanteerd die niet gebaseerd kunnen worden op artikel 3 van de bomenverordening en die leiden tot een niet toegestane inperking van - in dit geval - het begrip waardevolle boom.
Ook de specifieke kenmerken, aan één waarvan een geselecteerde boom tevens moet voldoen, zijn dusdanig gespecificeerd dat niet meer gezegd kan worden dat deze kenmerken dienen ter uitleg van wettelijke voorschriften, in casu de categoriale opsomming in artikel 3, tweede lid van de bomenverordening.
De rechtbank stelt vast dat de bomen beeldbepalend zijn voor de genoemde laan en daarmee van plaatselijk belang en voorziet vervolgens zelf in de zaak door te bepalen dat de moeraseiken op de bomenlijst worden geplaatst.

Handhaving openbare ruimte

Bestuursdwang fietsparkeren

8. Raad van State 24 oktober 2007 LJN:BB6346

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB6346

Het college heeft het NS-station en directe omgeving laten aanwijzen als een gebied waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Appellant heeft zijn fiets op het stationsplein tegen de zijkant van een fietsenstalling gestald.
De fiets is op 20 april 2006 verwijderd en opgeslagen. De volgende dag heeft appellant de fiets opgehaald. Op 4 mei is de door het college genomen beslissing om bestuursdwang toe te passen op schrift gesteld.
De afdeling is van mening dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat de vereiste spoed zich er tegen verzette de beslissing tot bestuursdwang tevoren op schrift te stellen en appellant een termijn te gunnen om zelf zijn fiets te verwijderen, gelet op het feit dat dagelijks door fietsers en voetgangers intensief gebruik wordt gemaakt van het stationsgebied en dat het plaatsen van fietsen buiten de daartoe aangewezen plaatsen de vrije doorgang kan belemmeren, hetgeen tot overlast en gevaarlijke situaties kan leiden en het onjuist plaatsen van andere fietsen kan uitlokken.
De afdeling is voorts van mening dat een tijdsverloop van twee weken tussen verwijdering en opschriftstelling en bekendmaking van de beslissing nog als een redelijke termijn valt aan te merken.

Bestuursdwang APV (art. 17); voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg

9. Raad van State 19 september 2007 LJN BB3813

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB3813

Appellant is onder aanzegging van bestuursdwang gelast om binnen drie weken na verzending van het besluit het gebruik van de openbare ruimte voor de woning te staken door het verwijderen van van de daar aanwezige heg, het tuinhuisje en een aantal zonder vergunning geplaatste voorwerpen. Appellante betoogt dat de groenstrook die zij in gebruik heeft genomen niet als weg in de zin van artikel 1.1. APV kan worden aangemerkt. Haar rechtsvoorganger en zij hebben de groenstrook gedurende meer dan 10 jaren onafgebroken gebruikt en onderhouden aldus gedurende die periode in bezit gehad, zodat zij hiervan door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden. Voorts heeft de rechtbank, volgens appellante, ten onrechte geen betekenis toegekend aan de door haar overgelegde computeruitdraai uit het beheerssysteem buitenruimte, waaruit blijkt dat de groenstrook in het beheersysteem is geregistreerd als “geprivatiseerd groen”.
De afdeling stelt allereerst vast, dat door appellante niet is weersproken dat de groenstrook in het kadaster als eigendom van de gemeente staat geregistreerd. Als appellante meent dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de groenstrook, ligt het op haar weg zich tot de burgerlijke rechter te wenden teneinde een daartoe strekkend vonnis te verkrijgen.
Overigens is het, gelet op artikel 1.1. van de APV voor het beantwoorden van de vraag of de groenstrook als weg in de zin van dit artikel dient te worden aangemerkt, niet van doorslaggevend belang of deze in eigendom aan apellante toebehoort. Daarvoor is bepalend of de groenstrook voor het publiek toegankelijk is. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat dit niet het geval is. De groenstrook is dan ook terecht aangemerkt als weg in de zin van artikel 1.1.van de APV.

Bestuursdwang APV (artikel 19) : Aanleggen, opbreken van de verharding, graven of spitten van de weg; openbaarheid berm in de zin van de Wegenverkeerswet 1994

10. Rechtbank Arnhem 6 november 2007 LJN: BB8037

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=BB8037

Gemeente heeft geslast dat eisers het door hen ingerichte gedeelte van de berm binnen 6 weken na verzending besluit in originele staat terug te brengen, door aangebrachte beplanting te verwijderen dan wel op eigen terrein terug te brengen en de berm wederom in te zaaien. Eisers hebben in 1990 een strook grond gekocht van gemeente, grenzend aan hun perceel. Na 1990 is de sloot die tussen de berm en de strook grond liep gedempt en daarna hebben eisers ook de berm tussen de (gedempte) sloot en de weg in gebruik genomen door een buxushaag te planten en paaltjes te plaatsen.In het later in gebruik genomen stuk grond ligt een riooldrain, die door de gemeente wordt onderhouden.

De rechtbank stelt met inachtneming van de definitie van artikel 1 wegenverkeerswet, dat als een weg voor het openbaar verkeer openstaat, niet alleen de weg daarvoor openstaat, maar ook de tot die weg behorende berm. De eigendom van de berm is voor de beantwoording van de vraag of de weg, en daarmee de berm, openstaat voor het openbaar verkeer niet relevant.
Het standpunt van eisers dat zij de eigendom van de berm hebben verworven door verkrijgende verjaring is daarom niet relevant bij de beoordeling van de vraag of de weg, en daarmee de berm, openbaar is. Nu eisers op de bewuste berm een buxushaag en paaltjes hebben geplant en de berm op deze wijze bij hun tuin hebben gevoegd, zonder dat zij over een vergunning beschikten, hebben zij door het graven en spitten in de berm gehandeld in strijd met het APV-artikel en was de gemeente bevoegd om bestuursdwang toe te passen.
Er is geen concreet zicht op legalisatie en verweerder heeft in redelijkheid kunnen menen dat het belang van eisers bij ingebruikname van de berm als tuin dient te wijken voor het algemene belang van de verkeersveiligheid en het faciliteren van het onderhoud van de riooldrain.